hij klanken — vage klanken, klanken die ratelden, knepperden, klanken die driftig wirwarden om zijn hoofd in ’n benauwenden nevel. Even zweeg-ie. Ze hadden bravo geroepen en geklapt. Klaroen zag-ie knikken en een langbaardige Jood, kop als Poddy, schreeuwde : „Gelijk heit-ie ...” Wat had-ie beweerd? Hij had ’t niet kunnen herhalen. Maar nou „ze bravo-riepen, verhelderde zonderling-vinnig z’n hoofd, zakte de afschuwelijke angst, week de bleuheid van stillen, peinzenden jongen, die nog nooit zoo voor duizenden had gestaan. Bijna werd hij luciede. Z’n stem verscherpte, z’n grijze,oogen glansden, z’n dunne bleeke lippen bewogen bits en met nadruk, z’n lichaam leek grooter. De menigte droeg 'm, had 'm te pakken, hitste ’m aan met honderden starende oogen, leefde mee met oneindige melkwitte ademen wier onstuimige damping in de winterlucht vloeide. Ouwe koppen en koppen met baarden, koppen gegroefd, en geelbleeke, ruwe koppen met grijzende snorren, koppen hard en ver-zieklijkt, waren in luistring, bogen, weken, zwartkantten, schemerden. Een sterke, massale, zware aandacht golfde op hem toe, omwikkelde hem, scheurde de woorden van hartstocht uit zijn keel, wond met machtigen drang de aandoening los, die hij niet meer te zoeken had noch te onderdrukken. En zoo innig was soms de wisselwerking tusschen hem en de massa, de massa van onbekende makkers, dat het hem sprekende toescheen of hij on-meetbaar-lang had gestaan, zij elk woord reeds vóor-dachten, voorvoelden — hij simpel uitte wat in hen allen gezamenlijk, zonder ééne afwijking of aarzeling omging. Bevende, kleine sneeuwvlokjes dwarrelden neer, stuivend als verschrikte pluisjes in vroeg-zomeravond. Op den rand van een hoed, op een schouder, op een gebogen rug donsden ze zacht, verlegen wittend en smeltend. Het was een teer, onhinderlijk gespeel, een schichtig dolen en wentlen, een timiede gedwaal tusschen de takken, over de hoofden, over het water. Een enkle grooter vlok, sneller en witter van val dreef langs de tent, zuigend op Eleazar’s gebarende hand.
164