ka-je altijd machtig worde — altijd. — As ’k in Wodos-kofsky verbrand was, ha’k geen armoeinest gemaakt. Schurftige beeste krijge schurftige jonge../
„Je kindere," viel Eleazar hem in de rede, maar Poddy beet 'm af: „me kindere," zei-die dreigend en driftig: „’n Yerlamming voor de god — is-dat God? — die gezeid heit ga en vermenigvuldig je! Poeroe oerwoe... 'n Verlamming! Vermenigvuldige in wat? Vermenigvuldige in armoei, dalles. Ga — hou ’n uitbranding zal-die gemeend hebbe!"
„Poddy — je wint niks met je op te winden. — Kijk, nou is me mooie zwachtel verschoven. Leg stil — dan trek ’k ’m an.. ."
Nog eens hielp-ie den zieke, die de oogen gesloten hield en als ’n kwaadaardig dier gromde. De linnen reepen duwde-ie hooger, ’t beddetijk strekte-ie glad. Poddy, pijnlijk en koortsig, sloeg de helpende hand weg.
„Schei uit!", riep-ie korzelig: „je schrijnt me wonde kapot. Blijf ’r af!"
„Dan niet," zei Eleazar geduldig, Rebecca wenkend den zieke met rust te laten.
Hij wist van z’n eigen ziekbed hoe je bij tijjen om ?n kleinigheid verstoord kon wezen — en wat moest iemand zich ellendig voelen met zulke afzichtelijke wonden.
„Wille we nog wat prate?" —, vroeg-ie, „of wil je da’k weg ga?"
„Me zorg — me zorg — as je mijn maar laat legge," gromde Poddy.
Op ’t vensterkozijn streek ’n musch tsilpend en vlad-drend.
„Ook ’n armoedzaaier," lachte Eleazar.
De zieke bewoog niet, gemelijk, koortsig. Dan voelend dat-ie iets zeggen moest aan den jongen man, die in verlegen hartelijkheid over 'm zat, zei-ie in pijnlijke hijging : „Wie geht’s — wie geht’s met juillie schtaking?"
„Met de staking," antwoordde Eleazar, blij dat de grijsaard praatte: „met de staking gaat ’t krom en scheef — slecht — slécht... zoo goed as verloren..."
„Zoo," zei Poddy, sterk zuchtend. Vreemd blies de
15&