adem door z’n neusgaten en de vingers wriemden hard* plukkend. Toen lag-ie heelemaal stil, de oogen verdoft in de dik-roode randen.
Eleazar stond op, trok het dek naar ’t voeteneind, stopte de deken onder de armen.
Koorts-driftig weerde de zieke ’m af. De zwachtels, weder door-etterd, plakten aan de houtwol van ’t matras. Kreunend woelde hij zich bloot, wilde niet geholpen worden,
De oogen heet-koortsig vergroot, groen-flitsten in ’t donker der bedstee. Hij had dorst, dronk gulzig-slurpend de koude thee, die Rebecca ’m gaf, vroeg vloekend om pap. Dan klagerig-schreiend, afrukkend de broeiende lappen, bekeek-ie, zoover-ie zich buigen kon, de rottende gaten van z’n heup en ’t been.
„Poddy!", zei Eleazar.
.. Hou je bek!*, snauwde de jood, half-opzittend, de hand om de bedsteeplank gewrongen: „wat doe 'k met je gelul!... Voor mijn part... voor mijn part... Ansteke doe ’k de boel... Uitbrande van onder tot boven... Alles na de raschmedei da’s ’t beste... ’n Uitsterving”.,.
Diep-snottrend, wanhopig-huilend, bonsde-die ’t hoofd met de wilde baardslieren tegen ’t beschot van het bedhok, vervloekend z’n kromgetrokken been, krijschend over de luizen die de etterwonden bekropen, schreeuwend om lucht.
Gruwlijk-beangst schoof Rebecca ’t raam op, verjagend de tsilpende musch. De zoete, rottende pislucht der dakgoot traagde ’t kamertje binnen.
XII.
Dat was de derde die van toegeven sprak, de derde die ’r ’t beetje moed wou uit trappen. Norsch en verkleumd luisterden de stakers, ’n Uur lang hadden ze in de bevroren modder op Dekker, die niet komen kon, gewacht, ’t Liep mis. Weer ?n Sjabbes in harde ellende, weer ’n week zonder vooruitzicht.
Nu dicht saamgedrongen om de tent, de voeten door
160