„Wat kijk je ?”, — zei ze droog, stem die nauwlijks een klank had.
#Ik kijk zoo maar — zoo maar* — lachte hij, met heet-kroppend gewring in de keel.
„O — kijk je zoo maar,” staarde ze voort, ’t gitzwart gestoei van ’r oogen in gurgel van lach.
„Zoo maar” — herhaalde hij, pogend te schertsen. Dan stond-ie op, verzette den stoel naar 't raam, speelde met Saartje. Zij, bukkend, de heupen omhoog in den tuimel der rokken, begon zacht te vegen.
„Doe ’k je nou 'n plezier?”, lachte ze kinderlijk.
„Of je,” zei hij: „licht dat me meublen bederven als ze staan in de stof!”
Zij lachten beiden. Er was niets in de klein-lage kamer dan ’n bedstee met ’n simpel matras, ’n stoel en 'n kist met ’n kom. Maar zijn lach duurde niet lang. 't Eind sprong z’n schoot af.
„Dag oome!”
„Waar ga je heen?”
„Ik mot na de school...”
„Wacht dan nog even...”
„Nee oome — Jan staat benejen al klaar.”
Ze had hem gezien op de plaats, stampte de trap af, toeslaand de deur.
„Wat ’n nest van ’n kind,” — zei Rebecca diep bukkend. Schuw keek ze op, half-angstig, half-lachend. yj „O, zoo’n nest,” herhaalde hij flauw.
En het stug gekuch van den schuier klonk in de stilte. Star keek hij het raam uit, eerst naar het overzij-dak, felrood en dampend. Suf bleeke wolkjes krulden de goot langs en ook van de nattige pannen steeg als een waas het opdrogend vocht. Dan zag hij omlaag naar de kindren die samen gingen de poort door met Mijntje, de dochter van Suikerpeer. Achter hem schorde de schuier, hijgend met lang-dorre stooten.
„’tls in lang nie-gedaan,” zei zij het eerst.
„Nee, in lang niet,” zei hij snel en hard. Zij veegde stil bij de bedstee, het hoofd van ’m af, de grot-van-de-rokken met 7t slanke kuitenbeweeg scherp naar
148