ze in ’t slijk op de plaats, waar stronken en bladen verrotten en vreemd-gesplinterd 5n boord lag, gevallen uit een van de ramen.
Nog zich nadrogend keek Eleazar het donker der gang in. Stug veegde een borstel de treden der trap. Rebecca, een doek om het hoofd, de zwarte slierharen verward langs *t teerbleek gelaat, lachte verlegen. Ze had den verlepten japon omgeslagen, de slijkzwarte voering naar buiten, de armen gestroopt ver omhoog dat ’t vleesch snoerde in kreukels en plooien. Het haakje van ’t vaal-fluweel boord uitgetarnd, liet vrij den mol-ligen hals met de fijntakte aêren.
„Goeienmorrege,* zei hij, zich drogend.
„Dag,* riep ze schuw in den schemer der trap.
„Dat kon je bij mij ook wel is doen,” meende hij vroolijk : „m?n meublen bederven. Ik heb in geen maanden geveegd.. .*
„Ach kom,* lachte zij, leunend terug, verlegen opkijkend.
Saartje kwam mee in de deur.
„Dag Bekkie! Daaaaag!*
„Dag Saarlief...*
IJvrig begon zij weder te vegen, telkens ’n tree op, toen op ’t portaal, lacherig-pratend, kruipend op handen en knieën. De voeten in ouwe pantoffels sleurden kurk-schuiflend den rokkenwrong na, soms met ’n haastige puiling der kuiten.
Hg, etend ’n reepje met stroop, wenkte ’r binnen, vroeg naar 'r v&der. Angstig-timiede, hield ze zich vast aan den deurpost, den schuier onnoozel bewegend. Nooit kwam ze ’t huis uit — of ’t was voor de kindren. Ze scheen eene ingeschapen moedertjes-toewijding te bezitten, niet hechtend als andere meisjes aan ’t loom-vadzig drentlen op Sjabbes. Nu, in ’t strak licht van ’t raam, de oogen git-dwalend onder de lijn der vergroeide brauwen, het roodwollen doekje om ’t zwarte der haren, welig en grillig als 'n wingerd, was ze van zulk eene vreemd-wilde schoonheid, dat 5t schertsend gepraat hem ontzakte en de oogengloeiing van toén — in de hal van de kinder-bewaarplaats — haar weder dwaas-driest deed lachen.
147