huilen, hield ’r hand om de borst. Het lurkend kind had vreemd-roode lipjes alsof ’t bloed had gehoest en onder den bruingelen tepel slangde een kronkelend streepje. Stil-snottrend bewreef zij de borst die door ’t gulzige zuigen bloed had gegeven, klagend noch roepend.
„Scheelt je wat, tante?”, vroeg hij.
„Niks. Niks,” zei ze: „la-maar gaan — la-maar gaan — Beurt wel is meer...”
140