Saartje tegen zich aanduwend: „hei’k je niet gewaar-schouwd ? — Onderkruip niet!... *
„Stik! Stik!", gilde Dovid, den doek die ’n bloedrige prop leek, dreigend in z’n vuist ballend: „Krijg ’n darme-reising, vuilik!... Wat doe ’k met je gelul!... Geef me ’n paar schoene — dan trek ’k ze an achter je lawaaie!..."
„Gróót gelijk heit-ie!", riep Nathan schor-krijschend alsof-ie achter de voddenkar liep: „Stel jij je godverdomme in de brés voor die luie pargen!... Neem jij de partij op tegen je zwager!"
„As hij en as juillie niet je éigen vijanden waren," hield Eleazar vol: „dan was ’t met de ellende gedaan..."
„Verrek! Verrek! Val dood!", schreeuwde de slijper.
„Gedaan... Gedaan," herhaalde Eleazar,dom-halsstarrig: „...Solidariteit is alles... enkel solidariteit..." Een koor van spottende, kwaadaardige stemmen schrikte ’m op. Hoe kon-ie zóó stom zijn geweest!
„Verrek! Verrek!", krijschte woedender Dovid: „Weisz ich viel van solledareteit 1 ’k Sla 't an me kont! Wat krijg j’r in de lommerd voor? Betaal ’r je huur van! Solledareteit! Nog! Maak dat-je te vrete krijg, luie verdommeling!.., *
„... Zolledareteit!", schorde Nathan: „zorg dad-je ouwe blinde tante en ’t schaap dad-je daar draag niet krippeere van honger!... Wat maak jij je de zappel om zolledareteit! *...
Tante Heintje, breed uitzittend, de handen op het morsig blad van de tafel, zong 't over de andere stemmen:
„...Zolledareteit?... Waas ist zolledareteit ?... ’n Aardige fijne man!... Spreekt frans!. -. Zolledareteit!... Zolledareteit!... Mezomme zal j,e meene!"...
En Joozep die in de korte gaping lacherig schreeuwde: „Solledareteit — Krijg de schrijt!", deed ze allen lawaaiend lachen.
Eleazar haalde de schouders op. Je kon ze net zoo goed de boeken Mozes ondersteboven te lezen geven. In keigrond zaaide je niet — als je bij zinnen was.
Dovid vloekte, schold, Nathan verweet, raasde — hg
138