Diamantstad

Titel
Diamantstad

Jaar
1922

Overig
3ed

Pagina's
268



van lorren-sorteeren, wreef heet zich aan Gompel, z’n broertje, dat ’n cent kreeg as ’t zoet was en niks an moeder vertelde. Jacob keek suf naar ’t kienspel, idioterig lachend om 't schuiven der dopjes. Zelden sprak-ie, omdat-ie stotterde en Raatje en Joozep en Stella ’m dan nabootsten. Soms sleepte z’n been, soms kon-ie niet loopen, z’n water niet houden. Kwam van ’t vocht van de kelder, zei Sqortje en gaf ’m wat bak-olie om z’n liezen te wrijven.x Langs balken van kelder en kamer droop vocht. Wreef ’n hand langs ’n bint, dan ritsten de druppels en pekelkristallen besneeuwden de muren, ’t Ergst was de werking van ’t riool onder den grond, dat diende voor afvoer der woningen boven. Den vloer in de kamer had het doorvreten, zoo dat de planken waren vermolmd en Nathan een ijzeren plaat had gelegd om 't gat en ’t zwarte, moddrige sop waarin ’t heele huis-boven z’n vuil loosde, te dekken.

De kelder was bergplaats en winkel, ’r Hingen jassen en gelapte broeken — er achter borgen ze de ton. Op een hoop door mekaar lagen vodden, knipgoed-van-naaisters, vettige lappen, dweilen en zakken, oud-wollen kousen en hemden verscheurd met bloedige klonten. Een mand was gevuld met afval van blik en ’n kist met versche slagersbeendren, rottend en stinkend. Meer bij ’t beschot van de kamer klitte een schimmlige prak ouwe schoenen en laarzen, zwart met groen-vochtige builen, en naast drogende kattevellen lag bruinverweerd roest. Gompel, ’t broertje, sliep daar op ’t matras, vroeg oud en verlept, de oogen onderkringd. Schijn uit de kierende deur snee over het oor en den hijgenden mond die zwakjes innam den stank van ’t riool en het rottend gehijg van beendren en vodden. Het kind lag onrustig, vertrekkend de oogen, bewegend de handjes, plots met een ruk zich kreunend opzij, dichter naar ’t schemerig klitten der schoenen, verschrikkend ’n poes die schrokkig beknaagde ’n nog-vleezig-been in de kist. Vreemd van de straat, doorspelend de vlammen van stof op de ruitjes, neerscheen het licht van de gracht, vaag op den grond den vorm van de ramen, de spijlen en ’t lompig papier



131

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.