opjagend de vluchtende, fluitende, schimpende slijpers*
Saartje begon angstig te huilen.
„Na huis toe — la-we na huis gaan,” snikte ze.
Sussend lei Eleazar z’n hand op ’r mond, zoende ’r met ijskoude, bevende lippen.
Hij zag zoo bleek als de man, dien ze Golconda binnen hadden gedragen.
IX.
Tante Soor had visite. Joozep, de jongen vanRaschel, was blijven plakken met Heintje z’n moeder. De lamp„ zacht schommlend, bescheen de gelaten, soms met een glimming, soms met een dansende schaduw. Soor, bij de opene bedstee, stopte een manskous, goedig van lach als Joozep gijnig ’n grap zei bij ’t kienspel en Nathan driftig dan uitviel omdat-ie verloor. Ingedut, snurkte de ouwe grootmoeder, ’t hoofd moe meehijgend ’t platte-borsten beweeg, de handen kurkig geklit in den schoot, zilver ’t haar dat pluisde in de holte van den verschoven bandeau. Naast haar, aandachtig-van-lezing, de armen gestut onder het hoofd, zat Stella, een meisje van zestien en prevelde zinnen om niet te hooren ’t praten van Joozep, Raatje, Nathan en Heintje, ook niet ’t kermig, zeurend geklaag van Maupie, die lei in de bedstee.
Het was eene kelderverdieping over een gracht, lager dan ’t water — kelder met achtervertrek zonder lichtgevend raam. Daags brandde de lamp, nachts brandde de lamp. Ze woonden er Soortje en Nathan met de oude grootmoeder en ’n nest kinderen. Drie waren ’r dood, tien nog in leven. Grootmoeder sliep in één bedstee met Raatje en Stella, Soor met Nathan èn Maupie èn Roos. Vlak bij het raam, op een muffend matras leien er vier, en in den kelder naast vodden en ton kropen twee jongens waarvan een al verdiende met vodden-sor-teeren. Vroeger had Stella ’r ook geslapen, maar de jongens grooter geworden, deëen zoo smerig dat de armendokter ’r an te pas was gekomen. Nou sliepen de jongens alléén naast de vodden en Jacob, nachts, na z’n werk
130