bewalmden. Op een blafte een kees, rennend van ’t voordek naar achter, op een zat ’n vrouw duwend 'r tiet in den mond van een bolroode zuigling. De gracht zelf lijnde moddrig, met paardevijg-kwakken.
Het bizarst en vredigst bij 't geraas aan den wal,
’t duwen en dringen, ’t op mekaar kleven en stuiven —
’t droomerigst, als ’n onbewogen namiddag-gehuchtje, was ?t rimploos gewaas der spiegelbeeld-koffen. Achter de cokes-vlet lei een geloste schuit — de schipper met ’n pijp in z’n beenig gezicht, zat rustig de herrie aan wal te bekijken. Lang-plat op ’t grijs-glanzend water, stond de kof op ’r schaduw, ’n schaduw van bruinteerde ribjes, bruinteerde zwaarden, groen-vroolijk hondhok en "t roer zwaaiend omhoog met krachtigen ruk. Ook de Foerstang had ’n schaduw met wit-scherpe letters gekeerd — God zij met ons — en een driehoekig vlagje van rood, wit en blauw dook mysterieus in de diepte.
Er naast in de staal-gladde weerspiegling, het hoofd naar benee, het zittend lijf in de hoogte, zat soezend de schipper — grgs-blauwe wolkjes ontbolden zijn mond. Gansch de kof herhaalde zich zoo, het lang-dunne lijf, de zwaarden, het roer, het platbuikig vat-van-het-water, de bruine plank-ribjes, de witschaafde boomen, de neergeslagen mast en de schipper droomerig dampend met ?t hoofd diep, diep omlaag — ’t gebogen rustend lichaam <er boven.
De golvende beuking van ’t volk stormde de gracht langs. Weerbarstig bleven ze wachten, bedreunend de brug, vullend ’t verlengde der straat, vloekend op Davy, die niet toegeven wou, op Moritz en Prins en de andren.
Op den hoek werd gevochten. Daar hadden ze Dovid herkend en Berlijn. Woest knauwden de vuisten de koppen der onderkruipers, angstige schreeuwen doorgilden de lucht. Dan werd het een razend, boldrend, domp-dreunend gestuif, een reutlen de straat en de gracht af, een huilend gejoel en gerucht. Met wrekende sabels sloegen de agenten, rennend het volk na, stompend de vrouwen en kindren, borend de volte der brug door.
9 129