te wieken, afduwend de steigrende gevels, golving stootend in de wijkende huizen. De agenten vormden een vierkant van sabels en daarin bewogen de juweliers over het Plein en de gracht. Als een golfslag met hoog-kloddrend schuim, als 'n branding van opbulkend water, stortten de mannen over de brug, die kreunde met gierend beugel-gekners. Achter het sabel-vierkant, het helmen-geglim, werd het een stuiving van koppen, stootende schouders, plomp-zware voeten. Stronk van ’n kool doortuimelde de lucht, bonzend op ’t hoofd van ’n diender en opgehitst, beu van ’t rumoer, nydig om 't gesmijt en gejoel chargeerden nog eens de agenten, dwingend de massa te wijken. In de Plantage, buiten ’t gedrang, stond een tierende klit slijpers. Nu ze ’r niet bij konden, bevreesd voor de driestheid der agenten, gilden ze hun onmachtige wraak, krijschend en vloekend, dreigend met knuistige vuisten en oogen die verwoedheid vlamden. Krijtwit keken de diamant-handelaars, schuilend in 't sabel-vierkant, bang voor de kolken en wrongen bits-klotsend zwart, bang voor dat gillen van haat uit duizend gelaten. Beschermd als ze waren, durfden ze niet verder, vluchtten opnieuw in de societeit Adamas. De massa gromde, schreeuwend en jouwend, schudding van zwart tegen den dijk van de helmen. De gracht leek vrediger, minder ontrust door schichtige wolken, minder beangst door trillende ruiten. Naast de brug lag een buikige vlet met cokes bestouwd tot een berg, en verder de gracht af tot bij den donkren romp van een schouwburg, plankjes glad naar den wal en touwen dik in de ringen, spiegelden koffen ’r bruinteerde buiken in ’t avond wit-water. Het regende niet meer. Op de brug, het kind in zijn armen, zag Eleazar de dringing der mannen, het helmen-geblink, de nu vrindlijke gracht. Wollig doorwarden boomen hun pluisweb, buigend de zwaardere takken diep na^r de masten. Het waren koffen met turf, takke-bossen — turven gemetseld in hoog-bruine wallen, zwaar-overhuivend de zwaarden der schepen. Daarboven glimden dekken van eierlijke plankjes, met touw in krullige zwieren en rookende pijpjes die blauwig het water
128