bemilddadigd door de hééren, door den rabijn. Triestig keek Eleazar.
Rebecca, achter hem, staarde door den kier, zwak op ’m steunend, dan vertrouwlijker toedringend. Samen aanzagen zij de bleeke hoofdjes, de hoofdjes met klieren en zeere oogen, de gespreide vingertjes, het beweeg van den dokter, het grijskil licht dat zachte geluwingen gaf.
Op de voorste bank was een kindje in slaap gevallen, het hoofd zijwaarts geleund op de handen. Er waren kaarsen gebracht, die met teedere vlamming 't gelaat van den dokter belichtten, zijn handen, de zwarte fleschjes, de kom met het water, de doos met de propjes sneeuw-watten. Er lei ’n meisje op zijn schoot, gillend, jam-merlijk-worstlend. Bij het licht van de kaarsen kolde ’r oog, wit met schamplichtjes, een starende stervens angstige pupil, bleek-roode randen en een verwijde, splijtende traanhoek. Zilvrend bij het sterker licht, viel de druppel brandende nitras in het schuwtrekkend kinderoog — het hoofdje rukte met krijschend gekerm.
VIII.
Omdat ze heele troepen slijpers zagen trekken, toen ze in de Breestra4t kwamen, liepen ze mee, hij Saartje's hand in de zijne -4, zij naast hem, nieuwsgierig, dragend ’t zusje.
Het reegnen hield aan, zachte spetjes in de modder der straat, staalkoel geprik van de huid door 't gure geblaas van den wind. Op de gracht woei ’t sterker. Aan de andere zij van het water, bij ’t oude mannen en vrouwengesticht, was donker gedrang van wachtende mannen. Tot aan den kant van den wal hoopten zij saam, slenterend, schreeuwend, of stil met de handen in de zakken, de kin diep in de gleuf van den opstaan-den kraag. Naar de zijde der Breestraat waren er meer nog, loopend in groepjes, hoeden nat van den regen, schouders doorweekt, knieën zwartpuilend. Ze gingen elkander-beduwend, tegelijk pratend, klittend-te-zaam,
120