de koppen fel buigend, de handen in schuddend gevraag. Ze vulden aan weerszij het moddrig gekei van de gracht, stommelend sjokkend, donker-lichaam-gekriel en hoofden-beweeg langs de dreigende druiling der huizen. Ze kwamen aan van de brug, van de eene gracht naar de andre, klissend in broeirige hoopen die plomp mekander doorzeefden en weer sloten aaneen. Ze gromden in donker gegolf langs de huizen, wier ruiten reeds hadden ’t matte berusten van dingen die wachten den nacht, wier gevellijn traagde in stottring van wit, schijnbaar-beweeglijk, meehortend het schorre drijven der wolken.
Er was eene aarzling in ’t naadren van den avond, als wachtte de nacht met open-angstigen mond en star-rende oogen. De wolken schichtig voort-hijgden naar de zij van 't gesticht. Marmerwit krui-den dampige schollen, splijtend de stukwaaide pluimen van zwart en de dreigend-aanstuwende koppen. Heel de hemel tusschen de vaart der verwonderde gevels joeg in kille verwreeding, als smakte een wind rook-smeulsels en barsting van stoom naar ’t roodbruine kamp van de daken.
Bij de brug leek een stilstand te wijden, leegte van luchtwit, zonder wolkengevlucht, strakke doorlichting die stroef de vensters bebleekte en ’t water der gracht doodblank deed glanzen als ’t oogvocht in peinzende oogen.
Van den hemel naar het water, van de wachtende huizen naar de zwarte dringende mannen, ging eene wissling van zilverflets huivren, alsof iets ruws was gebeurd, iets dat het diepste wezen der huizen door-angstigd, de ruiten verschrikt, de kozijnen in wondring gezet, het water vergrauwd, als tobde het na in ontstel tnis. Dit — dit vreemde, dit over-het-leven-heen-witte, dit stokkend-beklemmends van ’n ongeweten geluid in zenuw-wakkren nacht, trof ’m zóó dat-ie rondkeek en omkeek en achter zich keek, zoekend naar wat-er-niet-was.
Yan ’t Plein, dat zwart lag met krommende boomen, kwam heftig gestuw. Jongens holden vooruit, opketsend
121