was iets aangedaan. Kalm bekeek de dokter het hoornvlies door een loupe, knikte goedkeurend, mikte kort met een druppelspuit, spoot water na, wiesch het oog met ’n watje. Zoo hielp hij het eene kind na het ander, geduldig, ze sussend, gijntjes zeggend, bijna machinaal de zieke kinderoogen behandelend. Voor Saartje, die angstig te wachten stond — ze was óok aangestoken — werd nog ’n ventje geholpen van drie, vier jaar, met bleeke scherpe trekjes en ’n scherp-vleugelend jodenneusje. Het eene oogje was blind, melkwit overleid als door parelmoer, het andre aangetast had een vurig ontstoken rand. Het kind lachte verlegen, weende niet, verweerde zich niet, leunde zoet achterover — gaatjes van neus die zwart het gelaatwit doorpriemden, kousjes afzakkend, gulpje half-open met kreukels van ’n geel-bepiest hemdje. „Leelijk hoor, joggie* — zei de dokter goedig — „héél leelijk. Dan maar is ’n sterk druppeltje. En braaf zijn as altijd, hoor../
Het kind glimlachte zoetjes, mondje open, handjes slap op den buik. En uit glazen spuitje, zacht voortgeduwd door den gummidop, viel een druppel uit het zwartste fleschje. Het kind balde de vuistjes, hijgde snuivend door de kleine neusgaten, vertrok smartelijk de lippen, klaagde zachtjes... O!... O!... O!... Het zilver-nitraat beet kort in — de watersproeiing volgde en het jongske geheel blind, tastte naar zijn plaats, ’t ééne vuistje voor het gebrande oog.
Saartje, bleek, ouwelijk, met ’r vettig, verward kroes, huilde nog voor ze op werd genomen. Stug snoot de bijstaande juffrouw ’t loopend neusje, gaf haar over aan den dokter.
„Nie-doen! Nie-doen!... Ikke wil niet!", spartelde ze tegen.
„Zal je stil blijve zitte," gebood schel de juffrouw.
Het kind, krijsch-kermend, lang-snikkend, wegduwde de hand van den dokter, worstelde zich los, gleed op den grond, de rokjes in de hoogte, het gorig broekje bloot. Nijdig bukte de juffrouw met snauwende handen, stem die redelijk sprak om ’t bijzijn van den dokter:
117