schoon papier op zijn borst — daar tegen kwamen de hoofdjes te rusten. Dan behandelde hij ze. Er zat een jogje van ’n jaar of vier op zijn schoot, kindje met op-gezet-fletse koonen, oogranden rood van ontsteking. Glimlachend boog de jodenkop, de vingers aangrepen de oogleden van ’t kind dat huiltrekje kreeg.
„Kom, groote man/ suste de dokter.
De heele witte oogbal kwam te zien in de dooraderde schelpen van waterig rood — de bezige rechterhand greep snel ’n druppel-spuit uit ’n zwart fleschje, bracht haar tot dicht hij het oog dat heen poogde te krimpen en de druppel brandend nitras spette in de onver-weerde kas. Het kind schreeuwde, snotblaasjes belden uit de neusopeningen, de beentjes spartelden in de handen der helpende onderwijzeres, de vingertjes beplukten heftig de sterke, blanke hand die het oog vasthield. .
„... Ho! Ho!... Kom nou!... Wees nou ’n man!... Zoo ... Zoo!.. .*
De groote spuit siste water na in de oogkas, wegspoelend het sterke bijtsel en een watje wreef over de nu angstig dichtgeknepen oogleden, die zoo heftig saam-drukten dat het bleek koontje in smarttrek opbolde. Maar alweer had de zekere hand het andere oog in bewerking genomen, kolde dat uit in de bloedranden der buitenwaarts ombuigende, angstige leden, drupte de druppel in het open ovaal. Het kind zachjes greide, rukte wild met het hoofdjö, wèer klonk de sussende, goedig-monotone stem en na-spoot de groote spuit, melkstraal slaand tegen het hoornvlies, in de bleek-roode randen. Afgezet van de knie, stond het jogje hulpeloos, verblind, met knuistjes die bewriemden de gesloten gepijnigde oogen. Een oog twinkte schuw open, beet krimpend dicht en op den tast, huilend, groene snotzakjes op de bovenlip, stapten de voetjes naar de bank achterin. Terwijl was een meisje op het zwart-leeren voorschoot gelicht. Ze ging rusten vanzelf met het hoofdje tegen de borst van den dokter, gewoon aan de zondagsche inspuiting, glimlachend. Ze had een garstig met zalf besmeerd hoofdje en alleen het rechter oog
116