zooveel povere angsten — soms als-ie de gods-idee in alle verjonging zag, in allen strijd-tot-herleving, kon-ie zich nauwlijks ’t gebid en geprevel en gepreek in allemaal rare soortjes, als ?n heusch ding, als ’n werkelijkheid voorstellen. Het ontwaken der arbeiders geloofde-die, wist-ie thans als ’t groeien van ’n plant. Ongeduld, woede, onstuimigheid maakten geen knoppen rijp. Eer ’n eik hóóg in de luchten z’n kruin dreef, eer elk voorjaar bloesems dee glanzen, gingen maanden en jaren voorbij. De natuur had in alles geleding. De gods-idee in alles een schakel. Met ruwheid en onverstand werden wortelen vertrapt. De schoone taak was de behoeding, ’t vernielen der rupsen die blaren en nerven weg vraten. Nog waren de ergste, geduchtste verstoorders de arbeiders zelf. Schönlieb, de Duitscher, had gelijk: dit was de tijd van de machthebbers die geen macht-hebbers waren. Er was maar één macht — één macht — een natuurlijke macht — een gödlijke macht die zichzelve vijandig bleef.
De rossig-bewegende verstelpitten, de zwalpende rook zetten het weemoedig in beeld.
Een grauwe, zwartrandige wolk raakte het dak der fabriek, overschaduwde het glimmen der ruiten. Van elk venster werd het bovendeel schemerduister, lei de benedenhelft in bleek-gladde glanzing. Ze bleven beweegloos als opwaarts starende oogen met weinig pupil en glazerig wit. Ze kolden den muur uit, die krijt-troebling kreeg, als ’n gelaat onder den schijn van een groen-omkapte lamp. De heele fabriekswand met z’n donker-wazige ramen, werd door de grauwing der wolk van een marmeren kilheid; van een wegdeinende bleekheid, van een doorzichtlijke teerheid, alsof ze geen bouwsel van steen en cement, maar ’n droom-ding van nevel en misten. Zoo waren soms ook wel de straten, als ’t laatst zonne-rood van ’n dakraam verstoven.
Dicht# bij de school, zachjes opwandlend, ontmoette hij Rebecca, de dochter van Poddy. Zij zagen elkander daaglijks, bij Suikerpeer, bij Reggie, bij den cigaretten-jood zelf, op de nauwe, kreunende trappen. Gewend als
111