steen op den lijkwagen, op de mannen er achter, op de keien, op de boomen, op de daken. Er kwam een vreemd-bleek, sissend, klettrend geraas in de straat. De lijkwagen ketste de steenen terug, de keien smeten ze op, van de kozijnen sloegen ze neer. Het was een wijd, breed, wit gerucht dat angstige kou gaf, kloppend getik en gewatel op de daken, strak-bevend ruischen door de wolklooze luchten. In de moddrige voegen der keien boorden ijskluitjes, stevig en scherp, te hoop klittend, krielend, speelsch en. huppend ver-rollend. Maar het spichtigst-van-aanslag, ratelend, kletterend als ’n zweep die krinkelt en met knallen ontstrekt, hamerden de hagelsteenen op het dek van den hollen, vierkanten, zwarten lijkwagen, die langzaam bewoog, verlaten ding in het witte geraas van de straat. De mannen gebogen, ontwijkend het pijnlijke striemen, schoven dicht naar de koets, plettend de bonken van ijs onder de zolen, ze als sneeuw-koeken mee-dragend. Op hun hoofden, schouders en nekken vielen de steenen, heenknappend, brandend de ooren. Ze liepen angstig en zwart achter den wagen, waarboven één enkele glimzwarte hoed en het grijswitte ruischen omgaf hen.
Heel kort, als ’n krijschende galm die versterft en ’n leegte-van-stilte geslagen, stoof het hagel-geschuim door de straat. Bijna zonder verzwakking of wisling, zweeg het sissend gerucht, kletste de regen opnieuw, neerzwiepend de takken en Jn joelwind steende den huizenmuur langs, die hing als een doek aan rechtspannen lijn.
„^deschim wat ’n weer!", gromde de groentenjood, pruimsap neersputtrend. Niemand gaf antwoord. Ze liepen zwijgend en stroef tot bij de Poort, waar ze opgelucht stapten in de begraafniskoets die nu in draf reed den Zeeburgerweg. Het was een omnibus met twee houten banken en ramen beslagen met damp. De kist met dood-joggie lag onder zwart trijp aan hun voeten, hoofd-einde bloot van ongeschaafd hout, met zwakjes-gliinmende schroeven. De dragers, de vader zaten bijeen aan het voeteind, Eleazar er over. Koud en doornat, met
m