schrijnend-klevende kleeren zag-ie de kist aan, de kist met ’t lijkje, dat zurig den wagen doorstonk. Frisch en verkleumd als ze kwamen van buiten, roken ze sterker den stank van ’t heenrottend vleesch. Het schudden der koets had vocht uit de plankjes geschud, plas die ver-lekte naar Eleazar’s voeten, als ’n kronkelig lijntje, dun als het spoor van ’n speelsch-natten vinger, stooterig-wijkend gelijk de regen-ribben langs de brommende koetsruiten.
Suikerpeer, koud en lawaairig, had z’n jas uitgetrokken, wrong de zwaarnatte mouwen dat het vuil-zwarte water droop op den vloer van de koets. De handen, paarsrood van kool nog, klitten het goed tot een prop, persend en rekkend. Schreeuwend, om het gedreun van de wielen, begon hij te praten, klagend over het weer en de dragers, blij dat ze veiligjes zaten, schreeuwden hun antwoord. Ze hadden de zwart-natte parapluies in den anderen hoek gezet, waar ze uitlekten in kringen, plassen van heenmorsend water, zwiepten het nat van hun hoeden, poogden de dreuning der koets en het rammlen der ruiten te overroepen. Ze praatten met druk gebaar over het weer en de vader klaagde zijn nood, uitleggend ’t geval van de kool, huilrig van zorg en ellende.
Achter de damp-fletse ruiten heenschoot het landschap, schaduw van huizen, zweving van licht over nog groenende weiden. Ze geleken te reizen van dorp naar dorp in ’n ouwe diligence, botsend bij ’t harde gebult van den dijk. Bij tijden spuwde de pruimende groentenjood spatsel naar zij van de deur en ’n drager zat geduldig te wriemlen om ’n balein van z’n parapluie te hechten. Zijn voet rustte in steun op het kistje dat zachtekens wipte. Dan met een snellere vaart afreed de wagen de glooiing van den dijk, wiegelend kort bij het stilstaan. Ze stegen uit in den regen, aanvattend de kist. De wind sloeg het zwarte trijp in Eli’s gelaat, hem waaiend den zurigen stank in de keel en langzaam opliepen zij naar het lgkenhuis, grijs in den striemenden regen, het bordje voorbij dat daar hing — Verboden te wateren, daar het zand gebruikt wordt voor hoofdzakken.
106