Suikerpeer, zwijgend, vaal-zwart door den regen, spuwde fluimen pruimsop, keek naar den grond. Het water had smakkende bulten gevreten tot diep by zijn knieën en klukkelend wrong ’t z’n schoenen weer uit. Naast ?m een drager die goedig ’m mee wou doen loopea onder de parapluie. Maar het water daarvan gootte m gulpen op de pet van den stappenden jood. Ze spraken niet. Norscher, hoekig van elboog-beweeg, liep Eleazar achter den drager. Niet langer vermeed-ie de plassen, baggerde vijandig, wreed-van-aanvoeling-der-dingen, kleumig van kou. Z’n schouders, z’n rug, z’n knieën waren doorweekt — de voeten geleken te schrielen in ’t persend, logge gehang van schoenen en kousen. Langs den rug rigde 't water, schrijnend de huid, kruipend langs warm-stijve haartjes de bil over, zuigend klam in ’t goed. Alles plakte, kleefde, wóóg, het vel broeide jeukrig, bewreven door ’t bitsspannend hemd. Ook in z’n broekzakken liep water, weekend den lauw-bollen zakdoek, het kantig lucifersdoosje. Dat hield-ie nu in de hand, 't betastend en knijpend tot ’t losweekt papier er afrulde in weewarme rolsels. ’t Gaf hem een viezig gevoel van groote ellende en kribbig bedacht-ie de woorden op ’t géle papier, ze zeurig herhalend — Sakerhet — Tandstickor — Tandstickor — Tandstickor —.
Halfwege de straat werd grauwer de lucht, verzwartte de dakenlijn, leken de gevels, de ramen, de puien te yalen in kalkiigen avondschemer, wen dingen in ver-schrikkings-mysterie wasbleek en stom zijn. Er schorde een regen zoo vinnig, zoo knetter-scherend van striem-slag dat de bladerlooze, angstige boomen, op zij van den weg, schreeuwende bogen, krakend in huivring, zwart en sngdend naar één richting. In de handen der dragers rukten de parapluies, flapperend —, één, door den wind gegrepen, knerste om, baleinen verwrikt tot een kegel met wild-floepend doek. Er was geen mensch in de straat. Ze lag dood en vereenzaamd in den schemer van straf-fenden mat-witten regen. En plots werd het doodscher, verlatener, rauwer. Hagelsteen viel, hagel
104