geulende geutjes ribbelden langs de rechte stoepranden.
Achter de tree van de koets liepen zij aan, de vader, de dragers en Eli — de dragers geschut onder druipende schermen, de andren stroef in den regen. Zwak was het menschenbeweeg. Er haastigde een harige hond met vacht diep van water doordonsd en een agent geschurkt in z’n jas stond op den hoek van de gracht.
In de Brééstraat was meerder geloop. Daar lag het asfalt glad-gelig te glanzen, strak-weeke vaart met heensproeiend water. Alles had er een glim in, de wielen, de tree, de opgaande voeten, glijjende spiegling van lichtende dingen, verdrongen door schaduw-geschuif, ver-drabd door modder en paardevijgen — tot ’n gele asfalt-geul, sehoongeregend en glanzend, opnieuw een echo glibberde van wat boven bewoog en voorbijgleed. De paarden liepen sterk te beklappen den weg, kort-scherpe klikken van ijzer op steen en de koets schokte soms als de kar-van-een-bakker die holbollend dreunt in vroegmorgen.
Eleazar hield de handen in de zakken, kouwlijk en nat, schuilend achter den wagen. Er ging een kerk uit en zacht-ontevreden door ’t vinnig watergespet, zag hij de stuwing der vrouwen en mannen, die drongen de koets om, warm nog van kerklucht, met bidboek en dof-natte schermen. Ze praatten wat luid, te wit van dampenden adem en ’t guldsel van ’t bidboek goudde ’n grijns in ’t asfalt-gespiegel.
De koets schokte zacht, 7r veeren pletten in zwakken cadans — het ijzer der wielen schuurde staal-blank, water opstuivend in vlak-witte sissen naar ’t glimzwart schoenengeloop. Zoo ging het voort, rustig en kalm — kreunen alleen uit ’t donker lijf van den vierkanten wagen — naar de zwijgende, grauw-stugge synagoog, waarvoor de koets met de sullige paarden en ’t kinderlijkje even kniezend 'n groet gaf. Striemender van slag gutste de regen, metaal-witte kopjes ketsend op keien en stoepen. De menschen gingen in snel gevlucht langs de huizen, bukkend tegen het felle gezwiep. En de koets reed iets vlugger. Langs de gracht naar de wgdere straat, de lange, breede, oneindige straat.
103