over z’n succes, van dokters over ’n geval, ’n Mens, ’n lopend geval. Anders niets. Bij z’n leven was-ie ’n geval. Na z’n dood ’n geval en na eeuwen grijnsden de botjes nóg als geval op Hogere Burgerscholen, op gymnasia, in musea. O God, bouwer van al het vreemd-schone, toortshouder der avondluchten, kwinkeleerder in dagen van mei, bekken van dronkene geuren, als over de landen lentestroom gaat, God van de wadende zeeën én Droom in der dagen zwakklende gang, Gód van de bergen, roomgeel opsnijdend in purprende sluier, Gód van mysterie én God van der eeuwen topzware drang, luchter in duister én vriend bij al-zielegefluister -, wat is er verworden van kleuren, verlangens, begeren, drift, schoonheid in de stad van daken en goten en straten! De koffïeoogst is slecht - er is ’n vrouw vermoord in een trein - er is een werkstaking - ze vechten op Kreta - de politie is nog maar altijd niet goed - de minister van marine heeft gezegd - gezégd - gezégd. - O, dit zijn alle straten met grauwe stof en huizen met gore tuintjes en bleekzuchtige kinderen. - En ’n mens is zo curieus van binnen... zo allemachtig curieus met wervels, ribben, kootjes en ’n hersenkas en ’n neusbeen en kaken. . . ’n Mens is ’n kompleet stel van zeven halswervels, twaalf ruggewervels, vijf lendewervels, één stuk heiligbeenwervel. . . En gék, cu-rieus-gek, dat in zon kompleet geheel van botjes, grachten en vaarten met ontleed, geclassificeerd bloed, voelingen ophuiven, langs goor bruine muren en daken, naar wijde verten, naar niet te snoeren, te grijpen droomluch-ten.
Voor het zwarte raam soesde Bep stilletjes. Van beneden klonk stemmengezoem, gepraat, onverstaanbaar, van
166