85
„Dat’s net de Thermidor,” zei hij, .... „net zoo gebouwd____
vin j’m niet mooi? ’k wou da’k machinist was.. ..” of:
„ . . . tien paardekracht... je moest 345 zien. .. die rijdt ’s Zondags op Namen . ..
Bij Bonnat waren de lichten buiten gedoofd. Men was al lang aan de laatste voorstelling begonnen. Toen ze plaats genomen hadden voor twintig centimen bovenaan, hoorden ze tot hun spijt, dat Alberto Fratelli — de aangenomen naam van Frans — reeds opgetreden was en drie menschen uit ’t publiek overwonnen had. Werkelijk kwam Frans na vijf minuten bij hen. Hij had ze zien binnenkomen, vertelde van z’n succes, dat de week klimmend was, toonde zich boos, omdat ze zoo laat gekomen waren, ’n Kwartier later was de voorstelling afgeloopen: juist ’t laatste nummer hadden ze gezien.
Buiten was ’t stiller geworden.
Mad. Colbert wilde in de tram terug, maar de anderen waren zoo verhit, dat ze liever naar huis liepen, ’t Begon juist heerlijk koel te worden. De buurvrouw stapte met Janneke alleen in den wagen. Men wuifde elkander toe en de twee andere paren wandelden langzaam over het donker trottoir.
Op den grooten boulevard gingen weinig menschen.
Tante en Florent stapten stevig door.
Frans en Trinette volgden dicht tegen elkander aangedrongen.
Hij had z’n arm om haar heen geslagen.
In de schemering der boomen vonden hun lippen elkander telkens, langer en langer.
Op de groote afmatting, de koortsachtige indrukken was bij haar ’n stille overgeving gevolgd, ’n behoefte iemand lief te hebben in die reusachtige stad, in dat vermoeiend feestgewoel.
De straatlantaarns, die elk oogenblik z’n gezicht verlichtten, hinderden haar.
Met gesloten oogleden, liet ze zich zoenen.