Een reusachtige tamboer-majoor bliksemt zijn staf door de lucht....
De guides .... hoera-a-a-a!....
De cavalerie van de garde civique!. ... De guides! . .. . Hoera-a-a-a-a! Hoera-a-a-a! ....
De grenadieren! .... O de grenadieren! .. .. Die zwarte, groote berenmutsen . .. Hoera-a-a-a! Hoera-a-a-a-a!
Walm van ’t Bengaalsch vuur, roetvlokken van toortsen dampen, misten over de plaats....
Al de gezichten in de vensters zijn zichtbaar. .. wuivende zakdoeken .... zwaaiende hoeden ....
Hoera-a-a-a! . ... Hoera-a-a-a!.. . .
Weer Garde civique....
Boem! Boem! Boem! Ratatata! ... .
Schel verscheurend warrelen klanken.
Hijgend verdringt zich ’t volk op de trottoirs en al de monden schreeuwen, joelen.
Dan weer ’n peloton gendarmes te paard, recht op, hoog in den zadel.
Achter hen blijft ’t even leeg, dan als de lucht achter ’n zuigerstang plonst, plast, dondert de menigte, vullend ’t plein in ’n geweldige, schaterende, driftige, stormende beroering, ’n blinde, razende hoop, botsend, stootend, ’n brandende, sombere lawine, ’t licht brekend, smorend, dempend; ’n machtig-dobberende, zwalkende, slingerende vormenklomp.
Verrast, ontzet, met ’n snel hijgend, ’n popelend stroomen van ’t jonge bloed, kijkt Trinette.
Half bewusteloos, krankzinnig van opwinding leunt ze op Fontan.
En plotseling begint ze hartstochtelijk te snikken.
„Trinette !.. . malle meid .... gekke meid !”
’t Is niets.
Ze lacht er zelf om.
’t Waren zenuwen en ze schatert, dronken, juichend, nog hoera roepend bij ’t laatste verdwijnen der toortsflikkeringen.