„Kijk!” .... zei Fontan.
Tegen de achterste huizen, naast ?t theater kwam ’n rosachtige gloed, ’n Tierend gejuich barstte omhoog, ’n duizelende gisting beroerde machtig de menigte.
Kleine roode toortsen flikkerden in de verte.
Gendarmes te paard dreven hun beesten als wiggen, vormden ’n dam waarvoor langzaam de drom wegloosde.
’t Was ’n angstig gezicht.
De koppen der paarden knikkebolden schichtig, de menigte joelde koortsachtig, drong in ?n razenden angst, als ’n berg-storting op zij.
En achter de zwarte, dampende zee rondde zich ’n breede plek schoone, grijze keien, ’n wonderlijke leegte, omwoeld door de krimpende moddermenigte.
Nu steigert ’n paard, ’n golf van ontzetting trilt door de massa.
Kaler wordt ’t plein, schoongeveegd, helder.
„Hoera-a-a-a-a! Hoera-a-a-a-! ” ....
De eerste muziek schettert.
’n Dubbelde ris gendarmes zwenkt.
Daarachter de Garde civique.
Vroolijk wapperen de blauwe veeren, fantastisch verlicht door flambouwen.
„Hoera-a-a-a! .... Hoera .... a.... a.... a!”
Uniformen schitteren.
Bengaalsch vuur .... rood .... groen .... blauw, wordt op pieken rondgedragen.
’t Groote plein verdrinkt in ’n zee van licht.
In roode lijnen, groene vlakken puilen de huizen, ópschietend uit donkeren achtergrond.
Schaduwen zweven, dansen dwaas, vreemd.
Twee, drie, vier korpsen spelen gelijk ....
De Brabançonne !... .
Hoera-a-a-a ! Hoera-a-a-a ! Hoera-a-a-a ! ....
„Vive l'armée!” ....
Dat zijn de glimpletten, de grijze broeken van de carabiniers.
TRINETTE. 6