8o
Trinette werd erg moe.
Met ’n zucht van verlichting nam ze eindelijk plaats op de stoep bij de Rue des Frippiers. Hier stond ze hooger, kon de heele Place de la Monnaie overzien, zag de onrustige woeling voor haar oogen.
’t Heele plein borrelde en danste als kokend water.
Draaikolken schoven, golven van zwart beukten, spatten uiteen tegen de huizenklippen.
Uit de vensters, op de balkons, hingen vormen, alles zwart, zwart met roode vlekjes, soms glimmend.
Somber in z7n grijze deftigheid lijnde ’t postkantoor, met ’n schaduwflikkering beneden en ’n heel hellen gevel in de lucht. —
„Nom de Dieu!” ....
’t Was negen uur. Mad. Colbert hing vermoeid tegen ’n kozijn. Ze dee niets dan klagen over haar dwaasheid om in zoo’n volte uit te gaan, wentelde onrustig de breede heupen. Tante Adrienne leek an Florent vastgegroeid.
Trinette werd op den schouder getikt.
„Fontan! .... monsieur Fontan!”
Ze herkende hem dadelijk aan z’n langen stoppeligen baard.
„(^a-va-bien, Trinette?”
Hij schudde hartelijk haar hand, maakte met de anderen kennis.
Hij was al drie dagen in Brussel, had nog geen w’erk gevonden. Ha ! Ha ! Ha !. . .. Als er geen andere mogelijkheid was zou hij verhongeren. Waar hij logeerde? In het Hotel Dieu.... al twee nachten op ’n bank van den Boulevard .... Nee hij wou van geen gastvrijheid weten .... Ieder voor zich ... Vannacht had ’t geregend.. . was-ie heelemaal nat geworden .... ?t Hotel Dieu was beroerd als ’t lekte!.. . . Droefgeestig keek hij de volte aan. Zacht haalde Trinette haar beursje te voorschijn. Er lag ’n vijffranc-stuk in, al wat ze bezat. Onbemerkt, dicht tegen ’m aangedrongen, liet ze ’t in z’n zak glijden.