79
linten waren losgeraakt, haar kleedje verkreukeld, *t zweet parelde op ’t voorhoofd.
.... „Hoe me vast, Janneke. .. .”
Nu waren ze op den Boulevard Anspach, slenterden voorbij de overvolle café’s. Duizend woelige groepjes gleden, schuifelden langs elkander. Er kwam ’n reusachtige ophooping. Men week op zij.
In de verte klonk muziek.
Men riep elkander toe, drong, duwde, ’n Groote gaping in de menschenzee.... Nee, ’t waren de militairen niet. ’n Zanggezelschap, voorafgegaan door vaandel en fanfarekorps, trok schetterend voorbij. Wat ’n leven! Trinette hield zich de ooren toe. Ze kon de schelle tonen der instrumenten niet verdragen, ’t Duizelde haar alles voor de oogen.
En weer bewoog zich de menigte vooruit.
’n Stem riep iets, anderen herhaalden den uitroep: a la monnaie! a la monnaie!
’n Bende jongens holde vooruit, schreeuwend, tierend; anderen liepen gearmd, persten de menigte op van achteren, brachten haar in ’n vroolijke hossing.
Op de troepen, voor de café’s verdrong men zich in dichte klitten om de tafeltjes.
Aardigheden gingen van mond tot mond, gevolgd door lange schaterlachen, korte uitroepingen.
Op het asphalt kropen voetgangers, éen zwart, vet, groot lichaam, éen koppenbeweging, éen schurend gewrijf van hoeden en kleuren, éen warm moes van schouders, heupen en buiken, dicht opgedrongen in een reuzenpers.
De Place de la Monnaie had geen plaveisel meer.
’n Donkere, flauw-verlichte menschenklit, ’n zwarte bonk vulde de ruimte tusschen postkantoor en theater, stroomde ziedend als 'n woelige zee in de zijstraten. Wittig schuim van dassen en boorden, vlokte er op in plassende beweging. Gonzend geloei, ’n orkaan van geluiden steeg uit de volte; warme menschenlucht, ’n heete gloeiende adem hing als ’n damp om de hoofden ....