78
„Wat gaan we heerlijk, hoe heerlijk!” fluisterde ze zenuwachtig. Ze was voor ’t eerst van haar leven in ’n tram-rijtuig, vond ’t zachte rijden lekker, bekeek nieuwsgierig de medereizigers, begreep niet hoe men zoo onverschillig kon zitten. Elk oogenblik als er ?n andere tram passeerde
kneep ze Florent in den arm Kijk eens! kijk eens!____
O God, wat ’n mooie stad! . . . . ’n Paradijs! ... Wat ’n paleizen ! . .. Wat ’n beweging! Als Romaine haar zoo eens kon zien, hier in ’t rijtuig, midden in die drukte.... kijk eens! . . .. kijk eens!. . . . Militairen!. .. . O de knappe carabiniers!. . ..
Tante Adrienne was uit haar humeur. In de eerste plaats had ze voor Janneke — die in de tweede klasse noch op de perrons ’n plaats kon krijgen — ’n eerste-klasse kaartje moeten nemen, daarna had ze de kniebeweging van Florent opgelet. Ze werd rood van kwaadheid, zou Trinette eens geducht onder handen nemen.
Op den Boulevard botanique was ’t meisje niet meer te houden. Ze leunde tegen madame Colbert, keek half gek van opwinding naar buiten, naar den plantentuin, naar de menschen. Ze werd dronken van de beweging, zei korte, half-verstaanbare woordjes, wees druk met den wijsvinger, bracht alle passagiers aan ’t lachen door haar dwaze, kinderlijke opgetogenheid.
Beneden op de Place stapte men uit. Er was ’n ongewone drukte. De deuren van ’t station braakten zwarte menschendrommen. ’n Levendige pratende, joelende menigte golfde over ’t plein, rijtuigjes holden, toetende geluiden klonken uit ’t station. Links ging men. Tante Adrienne en madame Colbert met Florent, voorop. Janneke had den arm aan ’t meisje gegeven, praatte verward over trams en treinen, keek verlangend naar ’t groote gebouw, waaruit de onafgebroken donkere massa stroomde. Soezend, verward, als ’n willoos kind tegen de voorbijgangers botsend, volgde Trinette.
Cristi! Cristi!.... Ze drukte Janneke’s arm tegen zich an.. . . ’t Was om te huilen.... te lachen .... De gele