22
Egaal knikte de kop van ’t beest, op en neer, schokkend de bellen.
Lillend schudden de breede flanken met gapende spier« plooiingen. Manen en poney wuifden golvend om den verständigen kop. Klepperend gingen de hoeven. En zwaar in haar ijzeren kettingen knarsend en piepend, bonsde de plompe, driekante kar. De geheele vracht brokken zwabberde krakend, bekneld in de zwiepende planken. Grijs van vuil stof hobbelden twee logge wielen, met een rustige schieting der spaken, om ’t zwarte, glinsterend, dik-besmeerde oog.
Half gebogen in nadenken, sufferig soezen liep de voerman met zware, ploffende passen. De eene arm slingerde machinaal, slap vasthoudend de lange, veerende zweep. Om z’n hals hing los ’n rood verkreukelde doek; om ’t lijf flapte ’n hemd met ruitjes van roze. De pilow broek glom van vet, vol zwartere inlegstukken.
„ .. . . Hu ! Hu ! . . .. Allez, Minette !” bromde de man op z’n pijp kauwend; ’t beest spitste de ooren, joeg met de staart over de billen, liet zwaarder de schoften tegen de trek-riemen vallen.
Hu! Hu!.... Minette!”....
Langzaam dreunde ’t span voorbij.
Averino herkende den man: ’t was Pierre Pascal.
Hij wandelde verder, blij om de provisie, die z’n reiskosten goed maakte.
III.
Met een vloek sloeg Frans ’t glas op de tafel. De scherven vlogen in *t rond. Madame Zu, die al ’n kwartier tegen den Italiaan en Frans, beiden, had geraasd, hield verschrikt op, bang voor ’t andere glaswerk. Ze kende haar kostganger. Zonder een woord verder te spreken, smeet hij nijdig de restanten van ’t voetstuk in ’n hoek, ging norsch den weg op.
’t Was ’n goddelijk-mooie avond, ’n donkerder kleuring,