161
vies... ’t bed... ’t behang. Goddank! Goddank! met ’n ontzettende verlichting valt ze neer, drinkt water, dat naar beneê klokt, verkoelend.
Waar-ie blijft ? .... Kwart over twee .. . Vanmiddag ook niet thuis! ... Ze wil op ’m wachten. Niet alléén naar bed. Ze heeft behoefte ’m te zien, behoefte aan z’n groven wil in haar gevoel van ontzenuwing. Ze leunt achterover, kijkend naar de lekkende tongetjes in de lamp. Dan vullen zich haar oogen weer met tranen. Die arme, arme Victorine . . . gestorven zonder dat ze afscheid genomen hebben, de laatste woorden over ’t Paradis latin.... Arme stakker! Stumper ! ... Ze tobt er over tot haar denken nevelig wordt. Ze is doodmoe in den staat van nerveuse overspanning, die den slaap na ’n dag vol indrukken voorafgaat.
De klok slaat drie, duidelijk drie.
Ze springt op . . . Drie uur ! Waar-ie dan toch blijft ?...
De vlam der lamp begint te knipperen, roodachtig, zuigt de laatste druppels olie uit de verteerde pit.
Ze gaat naar ’t raam, loom, met oogen dik van slaap, trekt ’t gordijn op: nacht, donkere nacht. Ze heeft grooten lust onder de dekens te kruipen, maar zoo alléén, bij die uitgaande lamp.... Ze drukt ’t neusje tegen de ruiten, knikkebolt en dan .... onverklaarbaar, krijgt ze Jn ingeving, ’n angstige bloedkropping om ’t hart. . . Nee! . . . Nee!.. . Dwaasheid! Toch sluipt ze bevend naar de kast, waar ’t goed geborgen ligt.
Met den deurknop in de hand staat ze helderwakker, starende oogen van wanhoop. Al de kleeren van Frans weg, ’t linnengoed, 't reistaschje, alles... !
Folterende angst knijpt haar de keel dicht. Als bliksemflitsen woelt ’t door haar... De goedige zachtheid van gister... De leege portemonnaie ...
Ze blijft kijken naar de naakte planken, naar de kleine, holle, zwarte ruimte in den muur, de oogen magnetisch gevestigd op de kast, de lijnen der planken volgend in ’n
Trinette. i ï