IÓ2
vreemde dwaling, de handen smartelijk woelend in een koorts van pijn en leegte.
’t Wordt donkerder.
In de lamp spiegelt alleen nog ’n vuurrood, pruttelend, walmend kransje.
Langzaam rijst ze op, neemt machinaal ’t hoedje, strikt zich de linten onder de kin, treuzelt wezenloos voor ’t raam in dezelfde soezerige bewusteloosheid van daar straks, blaast met ’n ploffing der koonen de lamp uit, gaat de trap af.
Flap ! .. . De buitendeur dicht.
Altijd doorloopen .... Altijd!... De Rue des Palais ... voorbij de Sainte Marie... de Rue Royale... de Plantentuin ... de Boulevard... de Rue de la loi. .. de Rond-point... de Avenue ...
Als 'n slaapwandelaarster loopt ze, dof, vermalend de éene gedachte ... Fontan . . . Fontan ... Gister heeft-ie ’m gesproken . . . Fontan móét ’t weten!...
Voor de boerderij van Colbert houdt ze op. Alles donker. De hond loopt los op het erf, blaft kwaadaardig, grimmig opspringend tegen ’t hek, waarvoor ze drentelt.
Ze durft niet binnengaan en plotseling dringt zich de wanhopige dwaasheid aan haar op, om nu, bij vieren, de menschen te willen wekken.
Gebroken, afgebeuld, slentert ze voort, ’t wegje volgend langs de steenbakkerij, met de flauwe herinnering dat ze hier nóg eens geweest is. Met oogen, die gloeien van droogte, pijn doen van koortsbranding, zakt ze neer op ’t zand. Voor haar glimmen de ovens. Spichtige vlammen lekken kronkelend, als spuwende drakentongen om lichtende steenmassa’s. Roze van vuurschijn, de groeve, ’n sombere, vierkante geul. De hemel brandt met laaie welvingen en golvingen . .. De hel. . . Damping van ’t vagevuur .. . De hel!. .. De hel! . .. Nee ze kan hier niet blijven! Ze móét opstaan, verder, ’n somnambule... Wat-wou-ze-ook-weer-an-Fontan-vragen? ... Ze weet ’t niet... Ze is moe, te moe. Ze wil