159
„Wees toch stil... Ze heeft ’n bloedspuwing gehad! . .. Jezus, ga weg!” . ..
Ze posteert zich voor ’t bed, smeekend, afwerend.
Dan geeft ze een gil, snerpend, doordringend, als van 'n drenkeling.
Ze heeft éven aangeroerd ’n koude, stijve hand, machteloos uitstekend uit ’t bed, ’n kil, klam vel, ’n ijzige, misselijke aanraking in ’t donker.... in ’t donker... in ’t doo-den-donker.
„L’indépendance !. . . Dernière édition!. . . Explosion au borinage! ”
XVII.
Haar slapen kloppen, als ze den weg naar de Rue des Palais inslaat.
Ze gaat als ’n hersenlooze, verdoofd, moe, alleen voelend de harde kanten der keien door de zolen, vroeger nooit opgelet. Dat doet pijn, hindert haar doffe gebrokenheid en ze wijkt instinctmatig op ’t gladde trottoir.
’t Slaat twee uur.
De straten zijn verlaten. Ze let op de schaduw, die zich telkens bij ’n lantaarn vormt, eerst niets, dan breed, dik, lang, dun, ’n malle lijn met kronkelbochten. Ze soest er over, moe van hersens door physieke en moreele uitputting', suf door ’t kalmeerend middel, dat ze gedronken heeft. Een luid voorbij-ratlend rijtuig hindert haar, ’n harde wakkerschud-ding. Ze weet nu waarom ze hier loopt met de steentjes onder de voeten, de glibberige schaduw vóór haar, wegwijkend. Ze rilt, kijkt om, huiverig. .. Als er maar wat méér menschen waren....
Nu ligt Victorine koud, koud-dood. Vier uur geleden sprak ze... sprak ze. Bij vader was ’t óók ’t vreemde, ijzingwekkende, de Verlamming... ’n Krankzinnigheid datheenglijden van je leven . .. Die staking van je wil... Je eigen wil tot