157
„Is ’r niks, niks an te doen ?”
Hij schudde ’t hoofd, zeker van z’n wetenschap, dat wetenschap hier niets hielp.
Victorine was ingedommeld.
De Rue des Dominicains en die der Bouchers begonnen wakker te worden. Bij negen. Van de straat straalde rosachtige gloed naar boven, gele lichtplassen, dansende schaduwvlekken, op den vuilen gevel aan de overzij, de schijn van ’n knetterende toorts in de kamer, ’n Enkele dronken stem schreeuwde met lange naslepen. Uit de café-chantants lawaaide muziek, harder klinkend bij elk opengaan der deuren.
Een schorre stem ventte bladen: .. . „L’indépendance! Le Gil-blas !.. .. L’indépendance!. .. Dernière édition! . .. Ex-plosion au borinage!” .. .
Druk aanhoudend gejoel, dof gestap. Zwaar rolt ’n rijtuig voorbij met lichtgekleede, tierende vrouwen, dol van drank; op den bok ’n man met ’n jammerende harmonica.
In de alkoof Victorine, zwaar ademhalend, langzame long-stooten.
Melo-dramatisch contrast met de moerasbellen buiten.
Konventioneel sterfbed.
Véél beschreven, toch nog wel nieuw in de ingewanden van ’t prettige Brussel, in den vuilnisbak achter de Passage, in die verweeking van ’n weelderige Burger-maatschappij.
„L’indépendance ! ... L’indépendance! . . . Explosion
au borinage ... Liste des morts!” .. .
De dikke juffrouw brengt ’t lampje binnen. Trinette blijft voor ’t raam zitten, kijkend naar de gekalkte muren, naar ’n klein verlicht venster met tulle gordijntjes. Meer ziet ze niet. Groote treurigheid is in haar, diepe melancholie. Ze zou lang willen huilen, kan ’t niet, afgetrokken door de muziek, ’t rumoer beneden. Telkens sluipt ze naar de alkoof, zachtjes. Victorine ligt rustig. Goddank! Dan gaat ze weer zitten, denkend over verschillende dingen, over de jeugd in Ro-chefort, ’t ravotten als kinderen op bloote voeten.