156
„Misschien .... wor-’k nog beter... .”
„Als je maar rustig blijft. . . .”
„Hééft-ie dat gezegd?”
„Ja .... ja.... Stil nou ...”
„ .. . . Frissche lucht... Ostende ... ’t Is ’r zóó mooi... de Estacade !. .. de Estacade ...”
Flauw gekabbel van blauw deinend water. . . blauwe lichtglans . . . blauwerig zeeschuim . . . zachtblauw voor haar oogen met ’n gezweef van donkere vlokken, helle sterretjes.
„Wees nou stil.... ’k Bid ’t je!”
„Nonsens!. .. Nonsens!... ’t Is tóch uit, uit. . . uit! ... Neem dat laken weg.... Die kreukels hinderen!... Zoo, zoo . . . Wat ben je goed. .. Wat ben je goed.” .... In de wreede pijniging van haar nerveusheid begon ze opeens zacht te huilen, nokkend als ’n kind.
Dokter Fleury kwam ’t bezoek herhalen, haastig in z’n bewegingen, ’n armendokter, die niet veel tijd verspilt. Waarom ze bij vroegere bloedspuwingen niet dadelijk bij ’m gekomen was? Waarom?.,. La had haar altijd gerustgesteld . . . bloed uit de maag.... en dan .... ’t leven ... ’t leven! Ze had ’t verleefd. Dat wóu ze .... Geen ziekenhuis . . . geen vertrapt, oud lichaam! . . .
Als ze zich nu maar heel rustig hield....
Of ze bloedverwanten had ? ...
Nee.
Afwijkend van z’n gewoonte, bleef hij praten, belangstellend in de twee kinderen.
Trinette liet ’m uit. Haar groote bruine oogen hingen aan z’n lippen.
„Hou je veel van haar?”
Ja..
„’t Loopt af... heel gauw . . . Geen remedie ... Totale uitputting ... . *
„O God!” ...
„’k Ben om tien uur thuis.... Mocht je me noodig hebben .... Hou je dapper, kleine meid.. ..”