153
harde gestommel, die gilstemmen op de trap .... alsof iemand komt.... iemand .... iemand .... Daar kómt iemand .... Jezus!
.... „Victorine! .... Victorine!”.... roept ze heesch. Flauw knipt de vriendin met de oogleden.
„Wat zei-ie?” vraagt ze moeilijk. Ze bedoelt den dokter.
„Niks.... niks!” ....
„Wat.... zei... . ie?” ....
.... „Dat je beter zult worden .... beter.”
„Niet.... waar! . ... Niet.... waar!” ....
„Waarachtig! .... Waarachtig!”
„Lieg.... niet!”
Ze zwijgen, hand in hand. ’n Zware voerkar ratelt voorbij, nadreunend met sombere reutelingen.
„ — ’t Schieten in de . . . grot. . ..” x) hijgt de zieke,
tranen in de oogen, die met weerbarstige rukjes over de wangen rollen. En stil, zonder veel leven, delireert ze vage, bijna onhoorbare woordjes....
.... Le bel Alfred!... Cohu!. .. le Paradis latin! .. . Ze
hakkelt op ’t laatste door met ’n kinderachtig lachje, als ’n
pijn le Paradis le Paradis .... latin.....
Zoo gaat de dag voorbij. De dikke waardin heeft ’t drankje meegebracht, toont ’n goedig geduld. Om zes uur gaat Trinette heen. De zieke zal den nacht wel halen. Frans wacht om te eten. Ze moet zich haasten. Wijn, heeft de dokter gezegd. Ze zal onderweg ’n flesch koopen, tast in ’t beursje... Niets! ... Geen centime! .. . Cristi! Crénom! Da’s smerig. Dat móet hij gedaan hebben, terwijl ze sliep! . ..
De athleet is niet thuis.... vreemd! Dat is nog nooit gebeurd. Ze eet alleen, haastig, zonder honger, de brokken met water naar beneê spoelend. Om zeven uur moet ze bij Cabri zijn. Ze wil ’m vragen of ze weg mag blijven, om Victorine op te passen.