150
was ’t ook weer?.... Wat?. .. Wat?.... Frans is weg. Ze herinnert zich z’n geduld van den vorigen nacht.... ’t Is toch ’n goeie jongen. Hij heeft in ’t geheel geen geld gevraagd .... Da 's de éérste keer.... Ze denkt ook aan Gonne, aan haar belofte dikwijls terug te komen. Ze kleedt zich an, langdoend over beuzelarijen tot ’t twaalf slaat. Weelderig van ’t frissche water, van ’t gezellig treuzelen, zet ze koffie, kookt eitjes, halfzacht. En terwijl ze de reepjes brood in de eieren doopt, glimlacht ze over dien droom —
Wat heeft ze gedroomd? .... Wat ? .... ’n Flikkering----
Goudstrepen .... Hel, geel glinsterlicht.... Iets moois.... Weggedoezeld uit de herinnering....
Frans is toch soms ’n goeie jongen ....
Gonne .... vreemd . ..
Ze zet ’t hoedje op, wandelt naar Victorine. Cristi! Ze had heelemaal de grap van Martin vergeten! Wat of Alfred gezegd zal hebben?
Victorine bewoont ’n kamer van *n logement in de Rue des Dominicains.
Op de trap ontmoet Trinette ’n viertal havelooze levenmakende kinderen, die de treden op en af dreunen.
Ze tikt op de kamerdeur.
Geen antwoord.
Ze tikt nog eens. ’n Flauw geluid.
Op ’n stoel kreukelt ’n corset naast ’n hoop verwarde vrouwenkleeren, waarvan de banden op den grond bengelen. Slap hangen de geruite gordijnen voor de alkoof.
„Ben je nog niet op, luilak!” .... Weer geen antwoord. Alleen wenkt ’n witte arm.
Trinette slaat de gordijnen terug, gilt ’t uit.... „Victorine!” Op ’t kussen ’n hoofd met gesloten, ingevallen oogen. Voor den mond ’n natte, roode doek, één prop gestold bloed. Jezus!”----
Marmerwit is ’t gezicht, blauw gekringd, zwart onder de oogen.