148
„Dag, Trini.. .
Ze keek ’m verbluft aan.
Hij bromde anders onverstaanbare dingen. Nu Trini.... Trini.... Was-ie dan heelemaal ’t uur vergeten ?
Hij vouwde z’n krant dicht, leunde met ’t hoofd op de handen, terwijl ze de linten van haar hoed losstrikte.
„’t Is laat, kind. . ..”
„Ja ja Frans . . . .”
„Wie heeft je thuisgebracht ?”
„Niemand....”
„Niemand?”
„La en Victorine ’n klein eindje . .. ."
„’k Was wel gekomen .... maar .... ’kbenopgehouen ”
Weer keek ze ’m angstig aan, niet begrijpend waarom hij zich verontschuldigde, waarom hij niet sprak van haar lange wegblijven.
’t Licht viel hard op z’n kruin, van wit vel en steile haartjes. Er lag ’n aarzelende verlegenheid op z’n gezicht, alsof-ie iets zeggen wou, maar niet durfde.
„Opgehouen?...”
„Da’s te zeggen— ’k Ontmoette Fontan.... We
zijn blijven praten .... ’t werd laat...
.... „Wat doet Fontan?” ....
Ze was blij over iets te kunnen doorpraten.
„Hij heeft ’n plaats.... buiten op de steenbakkerij ... Stomme hond om uit Rochefort weg te loopen !.. . . Hij heeft mijn kamer bij Colbert.... Je herinnert je wel?...” „Wil je wat eten, Frans?”
„Is ’r wat?”
„Brood, kaas.... ’n stuk koud vleesch...”
„Nee, dank je... Eet jij maar.”
„’k Was bij Togni.... ’k Heb geen trek meer...." „Was 't vol bij Cabri?”
„Stampvol.. .
„Kennissen gezien?”
„Jean .... en Flobert.”