147
van Brussels verrotte immoraliteit. Telkens ’tzelfde ... drank-vroolijkheid, brutaal-zinnelijke aanbidding, oogen, die haar ontkleedden, als ze de opgedrongen verfrisschingen opslurpte. De walm van die doorrookte, doorademde tjingeltjangellucht met haar stroomingen van banale gemeenheden, domme liederlijkheden, haar mufheid van dronken beest-menschen, drong zich op, als ’n langzaam, venijnig vergift. Soms voelde ze zich vies, met ’t gevoel ’n koel bad te moeten nemen, héél lang, dat ’t water de huid schoon polijstte, dat ’t over haar lippen klotste, als ’n koude straal door haar keel, verstikkend .... Andere avonden golfde ze mee op de deining der moerasverpesting, dronk ze omdat ze wilde, doende als Victorine in ’n wanhopig-gebroken gevoel, ’t contrast tus-schen haar mooi-jonge leven en de rotte omgeving te annulee-ren, koortsachtig-haastig.... één gelijk niveau.... éen stinkende smeuling. Ze bewonderde Margo, bewonderde de fijne vingers, de blauwige nagels, de tandjes, den lach. Ze was afgunstig op de aantrekkelijke nonchalance van die Bohemienne, die nog geen schaduwzij in haar Zigeunerleven ontdekt had, die zich door ’t slijk wentelde, brassend, drinkend, altijd frisch, zonder éen zichtbare modderspat mee te voeren.
Naar huis schreef ze elke week, de blaadjes vullend' met groote hanepooten; druk, veel vragend over Rochefort, over kleine bizonderheden, over ditjes en datjes, alles met veel leugens over haar zelf, over haar goeje positie, haar gelukkige, érg gelukkige leven.
XVI.
Hij zat voor de tafel, de beenen gestrekt op ’n tweeden stoel. Scherp, wit licht gleed van onder de lampekap op z’n gladgeschoren, beenig hoofd. De dekens van ’t bed lagen doorwoeld, versch beslapen.
„Dag Frans ...