142
beeldhouwwerken op den grond en de wanden. De kaars flikkerde, ’t Atelier had iets warms, iets fluweeligs, iets bedwelmend-sensueels.
Gonne nam de lappen van de groote stellage af. Toen vergat hij Trinette. Met de kaars in de hand lichtte hij bij, prevelde in zichzelf in spontane emotie.
’n Oude vrouw, mager van trekken zat hoekerig neergehurkt. Slap hingen droge hangborsten neer op den platten, uitgemergelden buik. Ruw, schrompelig waren de vormen geboetseerd, uit de klei gehakt, ’n afgedankt, afgebeuld, veilig lichaam zonder overgangen; ribben doorschijnend, doorsnijdend ’t povere, tanige vleesch; beenen, hard, houterig zonder rondingen. Knokelige voeten met groote, platte toonen.
’t Gelaat leefde bij de flik’ring der kaars. Stompig puilden jeukbeenderen, hysterische verwording ; flets, zielloos, hébété, suften de oogen, de mond hing open, met verdorde lippen, als in korte, stootende ademhaling van verweerde longen.
„Oh le sale type!” fluisterde Trinette verschrikt.
„Zie je,” sprak hij gejaagd: ....... Het einde... Zoo
noem ik ’t.... Die trekken da’s mooi.... da’s waar...
’t Is 9n wanhoopig werk!.. . Ze willen zoo’n stuk niet... Ze willen geen realisme.... ’k Ben zeker dat ’t geweigerd wordt! Antieke standen! ... Konventioneele mooiheid!... Dat kan ’k niet meer .... O ’t mooie lichaam . . . . ’t gebroken leven!” ....
Hij praatte verward, duwde hier en daar de klei ’n beetje weg.
„Ik vind ’t heel mooi,” .... zei ze haperend.
„Mooi... mooi.. . ’t Idee is subliem ... Zoo gaat ’t . . . .
Eerst zijn ze jong frisch .... sappig Dan modderen
ze door ’t leven Dat is ’t einde Het einde..
Hol spookachtig klonk z9n stem door de ruimte.
Trinette dacht aan Nancy.
Ze begreep ’m niet.
Hij liet haar ’t andere werk zien: vrouwenbusten, kleinere beeldjes.