140
„ . . . . Had je ’n kind bij d’r?”
„Wel nee ... Wel nee !* lacht hij zenuwachtig Praat
jes! ... . Onzin! .. . Laat je zoo iets niet wijsmaken!”
Ze volgen de schaduwen van Victorine en Martin. De student beukt telkens met de schouders tegen de wanden .... Lala! Lala ! . ... Z’n harp valt. Hij vloekt. Of Victorine niet beter op kan passen ? .. . .
„Lala! Lala! Lalarida!”
Eindelijk zijn ze ’t steegje door.
„Wees nou verstandig, La!”
„Lala!.... Nou gaan we naar Alfred!”
„Wat zeg je?”
„Vannacht blijf je bij me!.... Lala! Lala!... Zul je Alfred morgenochtend hooren vloeken!. . . Lala! Lalarida!”....
„Nee! Nee! Dat doe ’k niet!”
„La!... Wil je je mond houen ? Lala! .. . ’k Laat me niet door me ploerterij op m’n kop zitten ! Lalarida! . . . Alfred stikt van kwaadheid .... Lala!” ....
„Nee! Toe, La! ... Doe 7t niet! . . . . ’k Voel me ziek!”____
„Lalarida!” ....
„ .... Je krijgt de grootste ruzie!”
„Lala!”....
„Jezus! .... Je knijpt m’n pols stuk!”
„Lalarida! ... Ik ben de baas... op m’n eigen kast! . .. Alfred smijt ’k de trappen af.... Zoo’n gemeene huichelaar !.. . Lalarida!... ’k Breng mee wie ik wil! . .. Kom nou!... Lala! Lalarida! ” . ..
„Ach God... Martin neem me niet mee!. .. ’k Ben nog nooit bij je geweest... Ze vermoorden me!” ....
„Lala!.... Lariefarie! Lala!” . ..
Ze stonden voor ’t huis. Alles was donker. La hield Victorine vast, trachtte, wankelend den sleutel in ’t slot te steken. Eindelijk lukte ’t.
„Nee, La! Ach God, nee!” ....
„Larida! . .. La-a-a-l-a-a-a! ”