139
Martin strompelt de deur uit, bonst tegen de voorbijgangers aan. Z’n stok houdt hij tusschen de handen als ’n harp, tokkelt er op met groote dwaze bewegingen .... Lala L . . Lala! Lala !
Gonne heeft aan iederen arm ’n vrouw, lacht luid om de male poses van den dronken student.
Voor de Rue d’une personne — ’n nauwe, beruchte steeg — heeft Martin ’n inval. Hij wil er door.
.... „Rue d’une personne! .... Lala! Lala!”
„Nee!” roept Victorine zich losrukkend.
Hij waggelt er alleen door, klotsend van den eenen muur naar den anderen. Middenin bedenkt hij zich, keert terug, vloekt.... sacrée bete!..., schreeuwt dat Victorine mee moet. Gonne houdt zich den buik vast. Victorine hoest met ’n naar geluid, terwijl ze zich driftig verdedigt. Martin’s gebulk vult de steeg. Hij heeft ’t meisje bij de polsen gegrepen met z’n ijzeren handen, sleurt haar mee.
„Da’s ’n malle kérel!” lacht Gonne.
Trinette lacht niet.... Victorine zag zoo marmerwit bij ’t licht van de lantaarn.
„Wie van me houdt volgt me!” zegt de beeldhouwer, wil Martin achterna.
„Wees niet zoo dwaas,” smeekt Nancy.
Gonne wordt boos.
„Wil je mee: ja of nee?”
„Nee! ... Je lijkt wel abruti vanavond.. .. ’k wil niet!”
„Adieu, dan!”
„Armand!... . Armand!”
„Laat me los!.. . ’t Moet dan maar uit zijn .... je verveelt me!”
„Armand .... ons kind!” . . .
Woedend stuift hij op Of ze denkt dat-ie zich an ’n
cocotte verhangt ? ... ’t Heeft ’m al lang gekropt.. . Hij is beu !.. .
„Ga je mee, Trinette?”
Nancy draait zich zwijgend om.