135
’k Heb zoo’n angst... héél.... alléén ... in Brussel! . . . ” ’t Rosachtige hoofd bergt zich diep in de kleine hand. „Maal j’om ’m? . . .”
.... „Nee .... ’k Heb nooit van ’n gehouen .... Nooit! ... Maar hij is zoo groot.... zoo sterk.... Je voelt je zóo veilig bij ’m . .. . ’k Durf niet in Brussel alleen .. . . ”
Voor Victorine’s oogen spelen donkere vlokjes, kromme haartjes, met scherpe, vinnige, bloederige lijntjes, als ze de oogen sluit.
De heete lucht, ’t klapperend geblaas van de gaspit vullen ’t kamertje.
„Zeg!. . . Victorine . ..
Ja....”
„Slaap je? ...
„Nee, ’k luister . . . .”
„Heeft La je ....?”
„Wat?....*
„Heeft La je wel ’s geslagen? .. . .”
„Nee... . Hoe kom je daarop! ... .”
„Zie je ...
„Je bedoelt niet.... dat. . . .*
Ja....”
„Sapristi! ...”
Wijd opende Victorine de oogen.
„Soms .... als-ie kribbig was .... ’k Ben bang voor ’m... ’k Wóu wel alleen zijn .... Maar dan dat groote Brussel...
Ach God .... Ach God!____*
Er klinken gedempte snikken.
Victorine blijft zitten, bewogén met de vriendin, toch te mat om veel te zeggen.
„.... Zeg Trini....”
Een snik.
„. . . . Wou je bij mij komen? .. . .”
„Bij jou? *
Ja....”
„ . . .. Laat hèm dan schieten . . . ."