134
„Nee....”
.... Dacht ’k wel. . . . ”
De gasvlam snort, flikkert even door ’n trekking der lucht. „Hebben jullie ruzie? . . . .”
„Nee....”
Ze durft ?t haar vriendin niet zeggen.
Victorine bet zich ’t voorhoofd met water.
.... „Heb je óok hoofdpijn ?....”
.... „Ja.... God, ’t drukt me zoo Zoo’n pijn
hier .... Zoo’n gloeiing . . . .”
Ze wijst op de borst.
Trinette ziet haar meelijdend aan.
„Is La ’r weer!”
„Heb j’m beneden niet gezien ?”
„Nee....”
„Ja hij wacht me. . ..”
„Waar waren jullie vanavond?”
„In ’t park . .. .”
„Mooie muziek?” ....
„’k Geloof ’t wel.... ’k heb niet geluisterd.... ’k Was zoo beroerd .... zoo moe .. . .”
Er hangt ’n dompige lusteloosheid in de kamer, ’n sombere bedruktheid, alsof ze elkander véél te zeggen hebben, bang zijn over dat te praten.
„Je wou me spreken,” zegt eindelijk Victorine, zacht. Zwarte draadjes en vlokjes dwarrelen voor haar oogen, nu ze in de gele gasvlam tuurt.
„Ja,” zegt Trinette dof, steunt ’t hoofd op de hand, praat fluisterend, als voor zich zelve.
.... ,,’k Heb ’n grooten angst in me.... ’n benauwden angst... We leven twéé maanden .. . Da’s kort.... ’t Lijkt m’n eeuw... èn d’r is al ’n eind... We doen als vreemden ... ’k Zie’m ’s avonds laat.... Hij praat niet.... ’k Voel dat-ie weg wil.... Natuurlijk komt-ie me niet afha-len... al de heele week niet.... Hij wou wel da’k.... da’k ’n ander nam .... Als ’k thuis kom, kijkt-ie vreemd ...