130
Brullend, woest, hysterisch gelach. Piano-gejammer met ’n valsche viool, ’n ontstemde trompet. Walm, dikke, vunzige verpeste lucht, ’n Zwijnenboel, menschelijke bestialiteit. Een tooneeltje, klein, groen van achter. Vrouwen er op. Bloote schouders, bloote armen, nog meer bloot, vleeschtentoon-stelling.
Nu zingt er een, gebroken stembanden, verwoest door alcohol en ziekte.... Hoera !... Grokkerig gejuich .... Tafels dreunen.... Stokken stampen.... Al maar door de grijze, vette, vuile lucht, hangend op de hoofden, ’ttooneel, in de hoeken.
Paf! Paf!.... Champagnekurken .... De chanteuse wandelt af van ’t tooneel in de zaal. Geld rammelt in ’t bakje ... Alsjeblief! ... Alsjeblief! . .. Hohoho !... Crénom !... ’n Diepe, lange lach, ’n leverschudding. Glazen breken. Glas rinkinkelt. Scherven trapt men hard-knappend onder de voeten, ’n Marsch in dwaas-snelle tempo’s bonkt de piano, met snerpend vioolgekras, schetterend trompetlawaai.
„Oho ! la petite Trinette ! Oho !. .
Voor ’t voetlicht staat ze, zingt iets, ’n vermoeid geluidje, niet gedragen door de dompige, vuile atmosfeer.. . .Hohoho ! Hohoho !... Weer die lach .... Silence ! Silence ! Silence! ... De deur slaat met ruiten-geklepper.... Weer men-schen, nog meer.... Ici ! Ici, Charles !... Silence !... Ah le petit gommeux !... ’n Lichtje flikkert.... ’n Nieuwe pijp walmt.... Schel kneppert de piano.... Slepend monotoon gerochel — Garçon !... Men brult mee ’t refrein. Bravo !... Dikker de walm, ’n uitdampende mestput, ’n uithijging van
warme longen, zure faro-stank, scherpe cognac-waseming____
„Encore! La petite Trinette!...” Beukend laarzengestamp, schril stemmen-oproer, brassende menschbeesten.
„Hé, bonsoir, Bibi!...”
Op ’n tafel springt ’n fatje, met lijmerig-gepommadeerde snorpunten. *n Gouden muntstuk knipt als monocle tusschen z’n koon en wenkbrauw....
„A bas le mangeur!”