129
Bouchers. ’t Was er ’n levendige drukte, ’n vroolijk lichten van winkelramen, éen gedempte muziek, éen gejoel van luidruchtige gesprekken, éen uitgelaten drankopgewonden-heid. Onderofficieren van de Guides en de Carabiniers, zwalkten met verlepte vrouwen; ’n dronken man zwierde zigzaggend over de keien; tierende studenten hadden ruzie met ’n agent van politie. Nauw was de straat, drukkend, alsof de huizen naar elkander toelijnden.
Voor de deur van Cabri was ’n andere oploop. Men had er juist iemand uitgesmeten, ’n smoordronken wezen, dat nu drensde als ’n kind. ’n Bende verhitte gezichten gaapte er omheen. Er werd geraasd en gevloekt. Vuisten werden opgeheven tegen de verlichte vensters. En ’t dronken beest lalde boven allen uit... . Hij had z’n vertering nog niet uitgedronken! . . . Hij liet zich zoo niet mishandelen !. .. Hij heette Flobert.... zoon van den lakenfabrikant S. . . Hij wou d’r weer in! . . . Men moest ’m nog eens aanraken !. . . Wurgen zou hij ze ! .... Wurgen !.... Wurgen !. .. . Door z’n snikken klonken die krijschende kreten als van ’n zinneloos, gemeen dier. Zijn vrienden hielden hem vast... De woesteling schudde ze heen en weer. Zijn gelaat was paars van drank en opwinding met rood beloopen, starende oogen.
„Vooruit! La police !....”
„La police! La police !....”
Worstelend met den vechtenden duivel, trok de bende af, ’n hoop rollende, stinkende modder in ’n riool.
Kalm kwamen twee agenten aanwandelen, glimlachend ’t spektakel in de verte volgend.
Victorine en La traden binnen.
Damp van tabak, drank, odeur, gas, ’n smorende hitte. Aan tafeltjes loddervormen, hangend, leunend. Uniformen, vrouwenkleeren. Grijs berookte wanden, grijs-doffe spiegels. Rookwolken, uitgespuwd, grauw, dik. Verhitte, bolle, hoog-roode gezichten. Schorre schreeuwgesprekken, bonzende vuisten. Glimpen van glazen, gevuld, half, rood, geel, wit.
TRINETTE. 9