128
deed ^tzelfde .... Victorine hield proestend ’t zakdoekje voor ’t gezicht.
De muziek speelde de ouverture Faust. De menschenklit kromp langzaam-stilstaand ineen, een volgevreten slang, te lui om verder te kruipen. Gesprekken verstomden. Hoofden en hoeden, veeren en pluimen bewogen flauwtjes. Alleen wat grind krakend of ’n voet knarsend over de asphalteering. Grappenmakers met hooge hoeden, puntbaardjes, leege schaapskoppen, losgelaten kantoorklerkjes van ’n honderd frank in de maand, neurieden mee, zoete falset-stemmetjes. ’n Ofliciertje met windschouders wierp veroverende blikken op ’n licht gekleede dame, vol geel, vol wit. Iedereen balanceerde zich. Parasols en wandelstokken wiebelden vervelend, hakken en hakjes trilden; een sloeg met z’n sigaar de maat. ’n Heele collectie klein-burgerlijke muziekliefhebbers, blij de populaire Faust-deuntjes te herkennen, blij dat ze ’t begrepen, sentimenteel doend bij ’t „Laissez-moi” .. . .elkander aanstootend in hun onrijpe begrip van mooiheid, elkander
toefluisterend ’n .... „Da’s Faust” „O de mooie muziek”____
„Nou is ze in den kerker” .... „Da’s ’t dansmotief” .... „D’r is toch maar één Faust... .”
En dan weer ’n stilte hangend over de donkere menigte, ’n zoet zijn van groote kinderen, ’n hooger golving van muziek, wegdommelend over de hoofden, over de boomen, tot de slotaccoorden bonzen, vol, krachtig, de luie slang weer kruipt, ritselend, gonzend, levenmakend, ’n gekletter van stemmen, ’n geplas van schaduwen en geel licht.
La had den arm aan Victorine gegeven. Ze lieten zich opduwen in den stroom, die een uitweg door de parkdeu-ren zocht.
„Zullen we nog gaan naar Cabri?”
„’t Is al bij elven . . .
„’k Heb ’t Trinette beloofd.”
„Mij wel...
Door de Montagne de la Cour gingen ze naar ’t lager gedeelte der stad, kwamen door de Passage in de Rue des