124
zaamheid, dat Trinette ’m zag. Hij merkte dat er ruzie was....
.... „Adrienne !... . Adrienne ....!”
„Ze is ’n feeks.... ’n varken!”
Rood van toorn keerde Trinette zich om. Ze zou zich eindelijk wreken. Maar toen ze ’t geelbleeke gezicht, de ingevallen oogen van haar oom zag, kreeg ze plotseling ’n groot medelijden, zei ze alleen simpel: k Ga weg ....”
„Nonsens. ... Wat gebeurt ’r?”
„Niks, ’k ga weg...
„Adri.... Laat j’t kind van je zuster weggaan?” ..
.... „’k Wil d’r niet meer hebben .... Allez!... Pak
je koffer! ... Wie is hier de baas ? . ... Marianne had gelijk____
Ze deugt geen cent.... Hier hè-je reisgeld!. ... En vandaag naar Rochefort terug.... Hou je mond, Manson!” Hij zweeg, maar goedig kwam hij ’n oogenblik later in Trinette*s kamertje, waar ’t meisje al bezig was haar eenvoudig boeltje te pakken.
„Is ’t zóó ernstig, Trini?” ....
„*k Ga weg.”____
„Wat is ’r dan gebeurd?” ....
„Niks ! .. . niks!” ....
Toen draaide hij verlegen met z’n pet, kinderachtig verlegen.
.... „Iets met.... Florent?”
.... Ja.” ....
.... „Dat dacht ’k wel.”....
Ze keek door haar tranen verbaasd op.
De pet wriemelde tusschen de bruine vingers, verkreukt en verfrommeld.
.... „Je mot ’m wegzenden.... oom....”
.... „Ja.... ja,” .... klonk ’t zacht, weifelend als van iemand, die positief nee denkt.
Ze liep op den landweg, naar Mad. Colbert. In de verte