120
XIV.
Hoog stond de zon aan den hemel. Op ’t erf werkte Trinette, de mouwen opgestroopt, hing zingend ‘t vochtige waschgoed aan strak gespannen lijnen. De stukken wapperden in den wind, klapperend als vogelwieken. Grappig, gek-wuivend, golfden hemden van tante, naast onderbroeken van oom en Florent, witte slieren, de lijnen in ’n zwellende kromming trekkend .... De paarse kousen waren van oom de groote bruine met aangebreide hielen van Florent.... Cristi, wat ’n groote voeten moest-ie hebben! . . .
„Pstt! Pstt!” ....
„Roep jij?”
Ja....”
„’k Ben an de wasch bezig. ...”
„Kom ’s hier!”.....
„Waar bè-je?” ....
„Hier, achter de middelste serre” ....
Nieuwsgierig, wat hij wel te zeggen had, ging ze naar hem toe. Hij zat op den grond, de beenen gekruist, dat z’n sokken rimpelden, ’n Groote mand peen stond naast 'm, pas uitgerukt.
„Wil j’n peen?”
„Roep je me daarvoor?” ....
„Wacht nou even.... Je loopt altijd weg.... Zeg, wou je Zondag ’s met me uit?.... Stiekem?”
„Bè-je heelemaal gek?”
„Nee .... nog niet.... Nou?”
„Je hoort toch wa’k zeg?”
„Ben ’k niet goed genoeg?”
„’k Ga met niemand uit....”
„Zóó!.... en Frans?”....
„Dat was ééns. . . .”
Met ’n peen in de hand keek hij lachend op.
„Nou.... maar zóó eens telt, niet?”
Ze werd wit.