i ï8
van haar neef, luidruchtig lachend, opgewonden z’n arm
drukkend, verliefd opziend naar z’n groote hoofd. Ze had
alle leed vergeten, totaal, voelde zich jong, dartel, uitgelaten. Cristi, wat ’n ander leven dan in Rochefort! .. . Wat ’n lollige middag!.... Ze ging nooit weer in betrekking! . .. Lekker, die advocaat! ... Je voelde je heelemaal mal-vroolijk... om de voorbijgangers an te pakken... d’r mee rond te
dansen ... Ze wou wel hardop zingen ...
„Hou je toch bedaard!” .. .
Bij de Rondpoint liet hij haar alleen. Sufferig kwam ze thuis. Tante keek donker.
„Waar ben je weer zoo lang geweest?” .. .
„Bij .... bij . .. bij die menschen.” . ..
„Welke menschen?” .. .
... „Die. . . van Madame Colbert” ...
„Waarom hebben ze je zoo opgehouen?”
... „Om te praten . ...”
„En hebben ze je genomen?” ....
„Nee.”
„Waarom niet?”
„Omdat... omdat. .. D’r waren twaalf kinderen . .. nou en toen ... .”
„Wat had je dan te praten?”
... „Over alles ”
„Zoo... Hoe kom je an zoo’n kleur?”
... „’n Kleur Ikke?... Laat m’s in den spiegel
kijken ... Hé, ja! .. ’k Heb hard geloopen . .. erg hard .. .
’t Was al zoo laat ”
Tante zei niets meer. Ze kookte inwendig...
Frans was alleen voortgewandeld. In de Cité Ouvrière haalde hij Florent in, die met schop en spa naar huis ging. Hij probeerde ongezien voorbij te gaan, maar de andere riep hem aan:
„Hé... Frans!”
„Bonjour!”