H3
Hongerlijjen .... Kinderen krijgen! . . . . ’n Artist trouwt
niet.... Val me niet in de rede.... Wat is trouwen?____
Gekheid! .... Je blijft bij m’kaar .... Je houdt van m’kaar____
Waarom nou zoo?n frats op ’t stadhuis? ...”
„Frans!. . .. Frans! .... Lieg zoo niet!....”
Hij werd korzelig.
.... „Je blijft altijd dezelfde.... Zóó stom.... Zóó kleingeestig .... Als ’k morgen me nek breek, zit j’ an me vast.... Dat gebeurt.... Dat voel ’k . .. . Mót je altijd trouwen als j’n gekheid doet? .... We huren ’n kamer in de Rue des Palais.... Dat valt me zoo in ... . ’k Ben dan toch oók je man.... Denk je, dat Averino getrouwd is, zeg? Is tante met Florent getrouwd, zeg?.... Goede genade .... je vader!. ... Als Brussel spreken kon !....”
’t Gloeide in haar keel als ’n schroef.
... „Spreek niet van vader .... Nee! .... Nee !...”
. .. „Doe wat Averino je zegt... We zijn dan allebei artisten ... Je zult ’t goed bij me hebben ... toe ... toe ...” De tuin was verlaten. Hij trok haar naar zich toe, streelde, zoende haar, fluisterde zoete dingetjes, sensueele zachtheden, die haar inpalmden, den kleinen wil magnetiseerden. In z’n sterke armen, rustend tegen z’n stevige lichaam was ze hulpeloos. Toch bleef haar treurigheid.
.... „’k Wil wel misschien.... Nou niet.... Nog
niet....”
Hij begreep dat ’t komen zou, wilde niet brusk zijn.
„ ... . Laten we gaan!....”
’t Was vier uur geworden. Langs den Boulevard botanique daalden ze af, flaneerden beneden in de stad, voorbij mooie winkels, reusachtige magazijnen.
Ze begon zich moe te voelen, pas hersteld, zag weer bleekjes. Juist waren ze in de Passage.
„We zullen wat drinken bij Malpas ....”
Ze gingen door de Rue des Bouchers, weinig druk op dat uur.
In ?t ruime volkskoffiehuis waren ’n paar tafels bezet.
TRINETTE. 8