io8
Opgeruimder gestemd ging ze om twee uur de stad in. Bij de Rondpoint ontmoette ze Frans. Verlegen kwam hij naar haar toe. Ze dorst hem niet aanzien.
„Was je ziek, Trim?”
Ja....”
Ze had graag door willen loopen, met ’n koud, vreemd, vijandig gevoel tegenover den neef. Ze had nooit van ’m gehouen. Dat wist ze nu zeker.
„Waar ga je heen?”
.... „In de stad .... ’n betrekking zoeken ....”
„’k Loop mee ....”
.... „’k Ga liever .... alleen . ..
Maar hij had al z’n arm door den hare gestoken. De aanraking bracht haar weer onder den wil van ’t groote, sterke lichaam, „’t Staat zoo vreemd .... laat me los....”
Lachend drukte hij haar arm.
„Ma petite femme ...
Hoe had ze ’m toch zoo kunnen haten in die dagen ? . .. . Nu hij naast haar ging, z’n warmen arm tegen haar aan, verdween haar koelheid.... Of ze toch van ’m hield? — En hij schertste over den avond. Hij had zich gedragen als ’n kind, om te huilen, verbeel-je!.. . . ’t Was beroerd . ... De heele week had-ie iedereen in ’t zand laten bijten .... hij werkte nu bedaarder.... misschien was-ie toen opgewonden, omdat zij toekeek.... Ze hadden zich toch geamuseerd niet! .... Waar ze de glazen karaf toch gelaten had ? .... Hij herinnerde zich, dat z’m niet meer bij zich had, toen ze naar huis gingen .... Gebroken ? .... Jammer!.... Met Bonnat lag-ie nog overhoop over de honderd frank. Hij wou bij Averino aanloopen, die vandaag
pas uit Holland terugkeerde Als de vervloekte Italiaan
’m bedot had!.... Of ze zoover meeging dan zou-ie haar brengen waar ze wezen moest.
De kleur op haar gezicht was er weer. Vroolijk liep ze aan den arm van den neef, ging op in de woelige drukte der straten, vergat al ’t leed.